Hoe zorg je ervoor dat jonge leghennen gezond opstarten en zo lang mogelijk vitaal blijven? Die vraag stond centraal in een praktijkonderzoek op pluimveebedrijf LinderEnd. Samen met ABZ Diervoeding, Poultry Expertise Centre (PEC) en andere projectpartners werd onderzocht of het inzetten van een mycotoxinebinder tijdens de opstartfase bijdraagt aan een betere diergezondheid en verbeterde technische resultaten.
Collega’s Ilse en Lisan gingen met deze onderzoeksvraag aan de slag op het pluimveebedrijf van de ouders van Ilse. Een bijzondere locatie, want dit is ook het bedrijf waar Ilse wekelijks een dag meewerkt en zelf de handen uit de mouwen steekt.
Praktijkonderzoek op bedrijfsniveau
Gedurende 37 weken werden twee stallen met jonge leghennen gevolgd. In één stal werd een mycotoxinebinder als voederadditief aan het voer toegevoegd, terwijl de andere stal als referentie diende. De leghennen waren tijdens de onderzoeksperiode tussen de 19 en 46 weken oud.
Om de ontwikkeling van de dieren goed in beeld te brengen, werden de leghennen regelmatig gewogen en werd met behulp van NIR-technologie het buikvetpercentage gemeten. Daarnaast zijn cloacale swabs en mestmonsters onderzocht om meer inzicht te krijgen in de darmgezondheid. Ook werden bedrijfsgegevens zoals voer- en wateropname, legpercentage en uitval gedurende de hele proefperiode bijgehouden.
Geen aantoonbaar effect van de mycotoxinebinder
De metingen lieten geen significante verschillen zien tussen de leghennen die een mycotoxinebinder kregen en de controlegroep. Zowel het lichaamsgewicht als het buikvetpercentage ontwikkelden zich vergelijkbaar. Ook uit de analyses van de darmgezondheid konden geen duidelijke conclusies worden getrokken. Eén afwijkende uitslag beïnvloedde de resultaten sterk en doordat deze metingen slechts één keer zijn uitgevoerd, is aanvullend onderzoek nodig om hierover meer zekerheid te krijgen.
Bij de bedrijfsgegevens viel een verschil in wateropname op. Dit bleek echter waarschijnlijk samen te hangen met verschillen in de drinkwatersystemen van de twee stallen en niet met het gebruik van de mycotoxinebinder. Ook verschillen in uitval waren al vóór de start van de proef aanwezig.



Waardevolle lessen voor vervolgonderzoek
Hoewel deze pilot geen voordeel liet zien van het ‘preventieve’gebruik van een mycotoxinebinder, heeft het onderzoek waardevolle inzichten opgeleverd. Het bevestigt dat praktijkonderzoek in de pluimveehouderij complex is en dat bedrijfsomstandigheden, stalinrichting en de kwaliteit van grondstoffen invloed kunnen hebben op de resultaten. Bovendien verschilt de aanwezigheid van mycotoxinen van jaar tot jaar, waardoor ook het effect van een mycotoxinebinder kan variëren.
De opgedane kennis draagt bij aan een beter inzicht in de gezondheid en ontwikkeling van jonge leghennen en biedt aanknopingspunten voor vervolgonderzoek op meerdere pluimveebedrijven.
Kennis delen en samen verder
De resultaten zijn gepresenteerd tijdens een eindbijeenkomst bij ABZ Diervoeding in Nijkerk, waar projectpartners en betrokken adviseurs de uitkomsten gezamenlijk bespraken. De bijeenkomst leidde tot waardevolle gesprekken en nieuwe ideeën voor vervolgonderzoek.

CONCLUSIE
Met deze pilot is een belangrijke eerste stap gezet. Door het onderzoek voort te zetten op meerdere bedrijven en onder verschillende praktijkomstandigheden hopen de projectpartners nog beter inzicht te krijgen in factoren die bijdragen aan een gezonde opstart, een langere levensduur van leghennen en een duurzame pluimveehouderij.
